'' VOGELGEBEDJE ''

70 Vogelgebedje Foto Harvey Van Diek Mei

De maandelijkse column van Tami.

De stilte in het park werd nauwelijks verstoord, vogels floten naar hartenlust in de landelijke omgeving. Na enige dagen geïsoleerd en geconcentreerd werken, was ik hypergevoelig geworden, nieuwsberichten over narigheid in de wereld kwamen extra hard binnen. Maar inspiratie was er eveneens.

Ik was in retraite, aan het werk achter de computer, toen plotseling een bonk klonk tegen het keukenraam. Waarschijnlijk een bal die van de naburige speeltuin ketste tegen het raam.
Ik keek achterom – in zo’n vakantiehuisje zijn keuken en zitkamer één ruimte – maar zag geen passanten die een bal uit de voortuin kwamen vissen, er was niemand. Raar.


Ik werkte verder. Maar de bonk bleef me bij. Een nieuwe gedachte kwam op: het zou wel een vogel zou kunnen zijn die tegen het raam was gebotst. Ik stond op om maar eens te gaan kijken.
Er kleefden twee piepkleine veertjes tegen het glas. Door de ruit keek ik in het smalle voortuintje dat begrensd werd door een lage heg, maar zag niets in het gras liggen. Verder speurend ontdekte ik het; half verborgen onder blaadjes van het beginnende lentegroen op de grond, zat een vogeltje, haast onzichtbaar door de bruine schutkleur. Bewegingloos. Wat nu? Moest ik melden dat er een dood beestje in het park lag voor het ging stinken?


Ik bestudeerde vanachter het raam het vogeltje. Het was een jonge spreeuw. Het lijfje bewoog een keer mee met de ademhaling, nauwelijks merkbaar. Het vogeltje leefde, maar verroerde verder geen vin. Het was ook een erg harde klap, voor zo’n kleintje. Ik dacht aan de jonge valk die jaren geleden zichzelf dood had gevlogen tegen ons slaapkamerraam op de bovenverdieping, thuis in Tilburg.
Wat moest ik doen? Een goede vriendin van me is zo teerhartig dat ze met op straat gevonden gewonde vogels naar de dierenarts gaat. Maar wat zou een dierenarts nog kunnen herstellen na zo’n harde klap? En waren er niet genoeg vogels in het park? Er zou er maar eentje minder kwinkeleren. Plus ik logeerde in the middle of nowhere, zonder eigen vervoer, mocht ik het voorbeeld van mijn vriendin willen volgen dan had ik geen mogelijkheden.


Maar het was wel zielig, een stervende vogel in de tuin. Zou ik haar iets brengen? Om haar lijden wat te verlichten. Wat water, of stukjes brood, misschien? Maar als ik brood ging strooien, zou het spreeuwtje in paniek raken en willen wegvliegen, maar het niet kunnen. Dat zou het lijden alleen maar verergeren.
Een andere mogelijkheid was het beestje snel uit haar lijden te verlossen door het bijvoorbeeld dood te slaan. Maar dat zette ik snel uit mijn hoofd. Zoiets kon ik toch niet over mijn hart verkrijgen. Dit was iets anders dan een mug of een vlieg.


Ik ging maar weer achter de computer zitten. Maar ik bleef aan het arme vogeltje denken. Misschien was gewoon haar tijd gekomen, God ziet toch elk vogeltje dat dood neervalt? Ze was in goede handen.
Ik deed een gebedje voor de vogel, vroeg of ze weer mocht helen, of anders vlug mocht heengaan. Ik verbeeldde me haar in een stralende kring met een zacht groen licht.


Het werk ging verder, en hoewel ik met mijn rug naar het raam zat, was er een moment dat oplichtte in mijn onderbewustzijn. Al werkend kwam een vluchtig beeld in me op. Ik zag het vogeltje opleven en de vleugels spreiden, wegvliegen. Maar ik ging niet kijken. Wonderen moeten in stilte plaatsvinden.


Pas later ging ik naar het raam terug. Er was alleen een klein kuiltje in het gras, op de plek waar ze beschutting had gezocht. Geen andere voet- of dierensporen in het omringende gras en zand. De kleine spreeuw was verdwenen.


Tami

De foto is van Harvey van Diek.