‘Maanlanding’

71 C66 A2 C 10 A1 47 A8 AD40 C067 A24 DCA2 F

De maandelijkse column van Tami.

Vijftig jaar geleden landde de eerste mens op de maan.

Ik was toen negen jaar oud en omdat het een historische gebeurtenis was, werden wij, de kinderen, voor de televisie gezet om er getuige van te zijn. Televisie kijken overdag was een zeldzaamheid. Er waren elke avond tv programma’s, maar alleen op zondag was er overdag tv: een kinderprogramma na kerktijd tot het uur voor siësta, waarna de tv zender uit de lucht ging. Nu was het kinderprogramma vervangen door een extra uitzending. Mijn vader zei dat we goed moesten opletten, omdat er een raket zou landen op de maan.

Dat bracht grote opwinding bij mij teweeg. Tijdens de logeerpartijen bij mijn grootouders had ik uit mijn opa’s grote collectie boeken en strips, de verhalen van Jules Verne en H.G. Wells gelezen. Het was me dus duidelijk dat een reis naar de maan een groot avontuur was.

Dat was het ook, er kon van alles fout gaan daar in de ruimte; computers konden defect raken, berekeningen konden verkeerd zijn, de brandstof was mogelijk onvoldoende, of er kon een scheur komen in het ruimtepak bij het verzamelen van rotsstenen.

Maar van al die gevaren was ik me niet bewust. Waar ik op wachtte was de verschijning van maanmannetjes. Wezens van een andere planeet. Leven op de maan!

Vol verwachting zat ik met mijn broertje en zusje, allebei nog kleuters, voor de televisie. Het duurde erg lang. Vanuit de STVS studio kwamen uitgebreide commentaren met wetenschappelijke taal, veelal in het Engels, dat ik toen nog niet machtig was.

Maar eindelijk was het zover. Dat zei mijn vader tenminste. Zelf kon ik uit de vage, korrelige beelden in zwart wit met veel grijze sneeuw, niets opmaken dat aan de maan uit mijn verbeelding deed denken. Ik deed mijn uiterste best om voorbij de onduidelijke omtrekken van de astronaut, in de donkere achtergrond ruimtewezens te ontdekken. Die zouden toch wel klaar staan om de eerste mens van de aarde te begroeten?

Met veel geruis en gekraak klonken onverstaanbare boodschappen van de astronaut en berichten van NASA, in onze zonnige huiskamer waar mijn broertje en zusje inmiddels alweer aan het spelen waren. Mijn vader hield vol dat er een man op de maan had gelopen, maar ik kon het nauwelijks geloven. Wat een teleurstelling.

Bijna vijftig jaar later zag ik op internet een foto die de kleine NASA mars rover Sojourner had gemaakt op de planeet Mars. De foto was getiteld: ‘Zonsopgang op Mars’. Het benam me de adem.

Te zien was een grauwe, paarsige hemel met een minieme witte zon, wazigblauw licht spreidend over een roodachtig, rotsig landschap. Hoe bestond het, dat dit ergens daarboven, ver weg plaatsvond, bestond, en dat wij dit hier gewoon konden zien? Het was een besef dat stil maakte.

En dan was er de kleine Sojourner, helemaal alleen daar op de planeet, wat me ontroerde. Misschien kwam het ook door de column van Remco Campert, die destijds bedacht had dat het dappere robotje na zijn aankomst op Mars een berichtje zou sturen dat zou luiden:

‘Ben goed aangekomen! ’s Nachts heel koud hier. En nu weet ik niets meer.’


Tami

De foto is van Pixabay.