'' DOING THE RIGHT THING ''

75 Doing The Right Thing Foto Peter Bakkeroktober

De maandelijkse column van Tami.

Iedere keer als ik er langskom, denk ik eraan terug. Bijna vijftien jaar geleden stond ik met mijn fiets op het kruispunt van het Julianapark bij het stoplicht te wachten. In die tijd hing het fietsersverkeerslicht nog erg hoog en iets opzij gedraaid, niet erg in het zicht. Aan dezelfde paal hing ook een stoplicht voor aankomend verkeer van de Ringbaan Noord, goed zichtbaar voor auto’s en fietsers.

Er kwam een jongen aangefietst, ik kende hem van gezicht. Hij was wel eens in de buurt te zien, viel op door zijn bruine haar, lichtbruine ogen en teint; misschien was één van zijn ouders hindoestaans. Hij was rond de twaalf, dertien jaar oud en droeg altijd een petje. Een gewone, vrolijke jongen, een kop groter dan ik. Maar vandaag maakte hij een vergissing.

Bij het stoplicht sprong het verkeerslicht op groen, voor de auto’s van de Ringbaan. Het fietserslicht bleef rood. De jongen zag dat niet en fietste onbekommerd de weg op. Drie in zwart leer geklede motorrijders kwamen met brullende motoren aangestormd. De voorste rijder week uit voor de jongen, kwam in een slip en gleed met motor en al over het wegdek, viel met een klap neer. De andere twee slaagden erin tijdig te stoppen. Ze gingen naar hun gevallen makker toe, die overeind krabbelde en zijn helm afdeed, maar op straat bleef zitten met een pijnlijk gezicht. Het verkeer kwam tot stilstand.

Eén van de rijders, een man met een grote blonde snor en een zwarte bril, reed terug naar de jongen, die ook was gevallen en zijn fiets weer opraapte. Er ontstond een discussie die meteen hoog opliep. De jongen riep: ‘Maar het was groen! Kijk dan!’ En hij wees naar het verkeerde licht, voor de auto’s.

Wat de motorrijder zei verstond ik niet, maar hij was razend. Hij probeerde te voorkomen dat de jongen ervandoor zou gaan en blokkeerde hem dreigend met zijn motor. De jongen stond er alleen voor en bleef roepen: ‘Maar het was groen!’

Er had zich een rij auto’s gevormd op de straat, maar niemand deed iets, sommigen reden om via een zijstraat. Het was duidelijk dat beide partijen langs elkaar heen spraken. De motorrijder dacht: die jongen liegt! En de jongen dacht: die man reed door rood!

Ik zette mijn fiets op slot en ging naar hen toe. De jongen stond in de berm en probeerde opzij springend de woedende motorrijder te ontwijken, die heen en weer rijdend hem telkens de pas afsneed. Iets verder op de weg lag de gevallen motor en zat de berijder nog steeds met vertrokken gezicht op de grond terwijl zijn vriend zich om hem bekommerde.

‘Eh, jongeman,’ zei ik tot de motorrijder, ‘Mag ik even?’ De motorrijder was zo gefixeerd geweest op de jongen, dat hij niets anders meer had gezien, hij keek verbaasd op. Ik wees naar het opzij gedraaide, hoge fietserslicht en zei: ‘Het was echt rood, kijk maar: fiets!’

Dat kalmeerde de motorrijder. Hij scheen even niet te weten wat te doen, zette toen zijn motor uit en maakte aanstalten om zijn helm af te doen. Nu konden we erover praten tot de politie er zou zijn. Dacht ik.

De jongen raakte echter in paniek. Met uitpuilende ogen van angst greep hij zijn fiets, stapte op de trappers en sprintte er bibberig vandoor. De motorrijder zag het aan en besloot hem dan achterna te gaan. Op enige afstand volgde hij langzaam rijdend, de fietsende jongen. Ze waren beiden spoedig buiten mijn bereik, ik zou ze met mijn driewieler niet kunnen inhalen.

Ik wierp een blik op de gevallen motorrijder, die gelukkig niet bloedde en wel bij bewustzijn was. Er zou vast spoedig hulp komen, hier kon ik niets meer doen. Ik pakte mijn fiets en vervolgde mijn weg naar de stad.

Maar het bleef aan me knagen en ik denk er nog steeds bij het kruispunt elke keer weer aan. Hoe liep het af? Heeft de man de jongen tot aan huis gevolgd? Heeft hij bij diens ouders zijn beklag gedaan? Of heeft hij hem gemept? Waarom heb ik toen niet méér gezegd, zoals: ‘Je mag die man wel bedanken, als hij niet op tijd was gestopt moest jij nu naar het ziekenhuis.’ Dat zou de motorrijder misschien gunstig gestemd hebben en de gemoederen hebben bedaard. En waarom heb ik me niet méér over de jongen ontfermd?

De jongen heb ik nooit meer terug gezien, is hij verhuisd? Is zijn familie misschien bedreigd? Móesten ze verhuizen? Of is alles geschikt?

Het verkeerslicht is intussen lager geplaatst en nu goed zichtbaar voor fietsers. Maar ik word geplaagd door het feit dat ik niet genoeg heb gedaan, toen. Had ik de situatie erger voor hem gemaakt? Kent iemand het kind van toen, kwam hij er weer bovenop, kan iemand het me vertellen?

Tami