‘ DECEMBER ‘

60 F94899 136 D 4 EF4 9094 921 A40 E55261

De maandelijkse column van Tami.

Op Facebook zag ik een bericht staan van een bekeerling.

Een tot de Islam bekeerde man of een vrouw, dat was onduidelijk. De ene keer werd gesproken over een hijab (hoofddoek), de andere keer van een baard. Wat duidelijk werd was dat het stukje geschreven was voor degenen, die in de ongelukkige omstandigheden verkeerden dat ze de enige gelovige waren in een gezin en ook binnen een familie. De schrijver of schrijfster was ofwel een bekeerde Nederlander, of iemand afkomstig uit een allochtone, niet-religieuze familie. Ik schatte in dat het ging om een jonge, nog thuiswonende vrouw.

Zij moest religieuze dagen en feesten op zichzelf doorbrengen, zonder de morele steun van haar directe omgeving. Verwijtend sprak de schrijfster over de donkere, eenzame ochtenden tijdens Ramadan, als ze vóór zonsopgang in haar eentje moest ontbijten. Geen moeder die haar liefdevol wekte, geen vers gebakken brood van oma, geen familie om samen de ontberingen van de Vastentijd mee te doorstaan. Vol weemoed zag ze hoe bij de moskee auto’s aankwamen, volgeladen met neefjes en nichtjes van anderen, mensen die met elkaar vrolijk Id ul Fitr gingen vieren. Ook zij werd uitgenodigd, maar dat sloeg ze vriendelijk af met een smoes, om niet uit medelijden gevraagd te worden.

De schrijfster ervoer niet alleen een gemis aan Islamitische familiebanden, maar ook een zekere wrok jegens het onbegrip van haar eigen familie. Haar hijab en religieuze boeken verstopte zij, en er waren terugkerende discussies binnen het gezin. ’s Avonds in bed bad zij treurig dat haar familie naar de Islam geleid zou worden.

Ik kon me niet onttrekken aan het idee dat hoewel het om een zoekende geest ging – op zich een nobel streven - zij wel sterk neigde naar zelfmedelijden. Een vorm van ‘martelaarschap’ die ook bij andere religies voor komt. Zoals bij de jonge christelijke wervers, die bij een bushalte mensen probeerden te bekeren, en gepikeerd raakten toen men zei geen tijd te hebben. Tja, een bushalte is nu juist de plek waar mensen maar kort vertoeven om dan weer te vertrekken; geen reden om hen dan te beschuldigen van God te verwerpen. Maar de bekeerders leken er zowel genoegen in te scheppen om afgewezen te worden, als om anderen tot zondaars te verklaren.

Zeker, het is fijn om onder gelijkgestemden te zijn, kerken, moskeeën en tempels voorzien in die behoefte van groepsgevoel. Maar waarom zou het nodig zijn iederéén te bekeren? De Schepping zelf is zo divers en veelkleurig, het ligt voor de hand dat dit ook met het dienen van de Schepper het geval moet zijn.

Mensen streven naar eenheid en verwarren dat met uniformiteit. Het eerste vergt veel communicatie en begrip, het laatste gaat vaak gepaard met onderdrukking en represailles.

De eenzame bekeerlinge zal minder alleen zijn als ze niet van haar familie verwacht dat die ook net zo religieus als zij zal worden. Als haar enige verwijt aan hen is dat er geen aandacht is voor religieuze rituelen, dan valt het nog mee. Van atheïst tot monnik en alles daartussenin, wil iedereen op zijn manier toch betekenis aan het leven geven.

Zoals haar familie haar keuze zou moeten accepteren, zou zij eveneens met de door hen gekozen weg moeten kunnen leven. Hun wegen zullen zich scheiden wanneer zij op zichzelf gaat wonen, en dan is het des te meer urgent dat ze elkaar een hand bieden, om niet van elkaar vervreemd te raken.

Tami