'' BEDELAARS ''

74 Bedelaars

De maandelijkse column van Tami.

In het verleden heb ik gewerkt met mensen aan de zelfkant, als vrijwilliger en ook beroepshalve. Ik heb dus affiniteit met mensen die afgezakt zijn op de sociale ladder. Vandaar dat ik jarenlang steevast aan de bedelaars op het Wagnerplein wat geld gaf.

Vooral een gerimpelde, bruine vrouw in een lange rok en een omslagdoek, die bij de ingang van de supermarkt met haar bekertje had postgevat, kon altijd op mijn gift rekenen. Ze kon in het Nederlands alleen ‘Dankie’ zeggen en schonk daarbij een glimlach.
Met Kerst gaf ik haar ook nog een kleine kerststol, die ze enigszins gepikeerd ontving, maar werd weer blijer met het geld dat ook nog kwam. Zodat, zei ik tot mijn man, ook bedelaars kennelijk een standaard hadden.
Er was ook een oude man met een accordeon, die doorgaans aan de andere kant van het Wagnerplein zijn stek had. ‘Zijn die met elkaar getrouwd?’ had mijn zoontje mij eens gevraagd, nadat hij het kleingeld op het kleed van de muzikant had gelegd. Dat had me misschien aan het denken moeten zetten, maar de oude was intussen losgebarsten in een nieuw muziekje dat alles overstemde.

Jonge bedelaars waren er ook, dat snapte ik niet. Jonge vrouwen en soms een man, die nog sterk en gezond genoeg waren om iets anders te doen dan bedelen. Ik vermeed het dan ook liever om hen iets te geven. Maar op een dag kreeg ik toch medelijden met het meisje dat kennelijk niet meer bij de supermarkt mocht posten en daarom naast de parkeerplaats in de felle zon zat, ineengedoken proberend schaduw te vangen van een buitenreklamebord. De daklozenkrant die ze verkocht probeerde ik aan te nemen, maar ze liet die niet los. ‘Wil je ‘m houden?’ vroeg ik, maar ze sprak geen Nederlands. ‘Okee dan,’ gaf ik toe.

Een andere keer kocht ik van een jongeman in een mooi leren jack een krant, hoewel het me tegenstond dat een gezonde, goed geklede vent stond te bedelen. Maar ik wilde weten hoe het kon dat zo iemand dakloos was. Na bestudering bleek de krant Franstalig te zijn. Hoe kwam een niet-Nederlands-sprekende jonge ‘dakloze’ uit een Franstalig land, nou weer in Nederland? Het was maar vreemd.

Op een dag kwam er een man met een donkere zonnebril op, kalmpjes van de parkeerplaats aangewandeld, de autosleutels al klikkerend bengelend aan zijn vingers. Hij sprak de oude vrouw met de hoofddoek aan. Ze spraken een vreemde taal, maar ik kon ze toch verstaan door de intonatie en de lichaamstaal.

‘Ben je al klaar?’ vroeg hij. Waarop zij antwoordde/gebaarde: ‘Ik moet nog even iets doen/halen.’ Waarop hij gemoedelijk knikte.
Ik was stomverbaasd en verontwaardigd. Hoe kon iemand die rijk genoeg was om een auto te bezitten, zijn oude oma in weer en wind laten bedelen? En waarom vergooide zij haar trots door zich als bedelares te gedragen? Het leek erop dat zij het als een beroep zag, dat ze met overgave uitoefende.
Vanaf dat moment gaf ik haar niets meer. Ik vond het voor de jonge bedelaars al mensonwaardig om niet de handen uit de mouwen te steken, en in plaats daarvan de hand op te houden; maar de oude vrouw had het bij mij helemaal verbruid, het was tijd voor haar pensioen.
Niet lang daarna, nadat ze had gemerkt dat ik wel haar groet beantwoordde, maar dat ze niets meer loskreeg, besefte ze dat ze door de mand was gevallen. Ze verdween van het Wagnerplein.

Inmiddels staan er weer nieuwe, nog jongere dan eerst, goed geklede, en zelfs sexy meisjes, wapperend met ‘De Zelfkrant’. In gewone Nederlandse kranten heeft vorig jaar iets gestaan over een bende die Europa afreist met een troep getrainde bedelaars.


Tami